Vooraf

Eind 2020 is BlauwZaam samen met drie agrariërs, de regio en de provincies Utrecht en Zuid Holland een pilot gestart met de aanleg van een WaterInfiltratieSysteem (WIS) om te kijken welke effecten deze vernatting van de percelen heeft? We hebben nu een jaar ervaring.

Wil je onze pilot volgen en weten wat er in het 1ste jaar allemaal is gebeurd? Begin dan met de openingspagina. U kunt vanuit deze pagina door het aanklikken van een plaatje naar de andere pagina's bladeren  en zo ook de effecten van het 1ste jaar lezen.

 

Monitoren *

Wat doet vernatting met de flora en fauna?
Wat doet vernatting met de waterkwaliteit?
Wat doet vernatting met de opbrengst van het gras?
Wat doet vernatting met de bodemdaling?
Wat doet vernatting met de waterhuishouding?
Wat doet vernatting met de draagkracht van de bodem?
Wat betekent vernatting voor de agrariër?


NB *Transities kosten tijd en vragen om een lange adem.

 

 

Is er zonder biodiversiteit nog leven op aarde?
Om te onderzoeken wat de effecten zijn van vernatting op de flora en fauna doen meerdere opnames. Bij de onderzoeken doen we opnames op drie zones: Gras, sloot en oever. Sommige onderzoeken doen we daarbij maandelijks, andere weer jaarlijks. Voor de flora zijn we gestart met een nulmeting.

Op deze pagina willen we verslag doen van de effecten van vernatting door middel van sub-irrigatie. We doen onderzoek door in het SI-Project door veld-en datamateriaal te verzamelen om verschillen/overeenkomsten/effecten te zien en te duiden.
Daarvoor hebben we drie percelen en sloten aangewezen. Tevens hebben we bij dezelfde eigenaar een referentie perceel en referentiesloten benoemd. De periode van monitoring strekt zich uit over de hele periode van het project. Dus drie jaar. Zie voor de beschrijving van de drie percelen de site van Blauwzaam : https://www.blauwzaam.nl/themas/blauwgroen/blauwgroen-fundament/drukdrainage/
Voor elk onderdeel van de monitoring bepalen of we kunnen volstaan met een nulmeting  aan het begin van het project, gevolgd door een eindmeting na het project. Of dat we de frequentie per jaar moeten afspreken. Op de drie percelen en in de omringende sloten zullen we de nulmeting proberen te doen voordat we SI gaan gebruiken.
Afhankelijk van de afspraken die hiervoor gelden moeten we kijken welke datareeksen, formulieren en methodieken we willen inzetten. Verderop zullen wij per onderdeel motiveren welke methodiek we hanteren.
Het onderwijs betrekken in de monitoring is een belangrijk onderdeel. Leerlingen/studenten uit MBO en HBO betrekken we bij de monitoring, zodat ook zij al in hun opleiding kennis maken met de methodieken. We zullen dus ook dat met hen moeten afstemmen om het geschikt te maken. De HBO en WO studenten betrekken we bij het raadplegen van bronnen en literatuurstudie.



Effecten Sub-irrigatie op de duurzame landbouw
 

 

 

Effecten op de melkveehouderij
Als we bovenstaande resultaten van de monitoring lezen dan kunnen we na 1 jaar nog geen algemende conclusies trekken voor het effect van verhoogd grondwater- en slootpeil op de uitoefening van de melkveehouderij. De meeste gegevens van het 1ste jaar kunnen we zien als nulmeting. We zien nog geen significante andere grasopbrengsten of meer en andere fauna en flora. 

Vernatting
Met de pilot zoeken en zien we de grenzen aan de vernatting, mede vanwege de neerslag. Bijvoorbeeld de eerste snede gras bij Kees Baan kon pas na 1 juni  worden geoogst. De verdamping daarmee dus ook minder. Dat hebben de agrariërs ook gemerkt en duidelijk aangegeven. Zij vreesden voor hun grasmat en soms moesten de koeien verweid worden omdat anders de hele grasmat vertrapt zou kunnen worden. Het pilotperceel van Kees Baan in Molenaarsgraaf wordt uitsluitend gebruikt voor grasproductie. De vooral zware oogstmachines bedreigden duidelijk de toch kwetsbare natte grasbodem en liet sporen na. Het uitrijden van de mest daarentegen ging weer goed. Daartegenover staat dat bij Mattias Verhoef, die met lichtere machines en met lichtere koeien werkt deze signalen wat minder werden af gegeven. Daarnaast heeft Mattias al meer ervaring met hoog water in de sloten omdat hij grenst aan de Eendenkooi van het Achterwaterschap. Daar wordt permanent voor de natuurwaarden gewerkt met hoog slootwaterpeil. Gras verdampt nu nog veel (augustus 2021), waardoor draagkracht erin blijft. Zou later in het jaar, als de grasgroei afneemt, zomaar anders kunnen worden.

Uitpompen
Aanvankelijk was in de pilot niet voorzien in een mogelijkheid ook grondwater uit te pompen. Dat leidde met name door de ernstige regenval tot het verzoek door Kees en Peter de mogelijkheid van uitpompen toch toe te voegen aan de pilot. Die pompen zijn aangeschaft. Dat betekent dus dat twee van de boeren ook de mogelijkheid hebben water uit te pompen en daarmee dus het grondwaterpeil te verlagen bij heftige regenval en dus te kunnen anticiperen op natte weersomstandigheden. Het DD-systeem kan daarmee zowel draineren als infiltreren. Het is dus van belang dat de boeren in staat zijn met een voldoende hoge grondwaterstand toch een gezonde productieve grasmat te behouden. Dit is een leerproces, omdat daarmee de rol van de agrariër een beetje veranderd in de rol van een "waterschapper". Dit is een belangrijke stap in de bewustwording én een nieuwe uitdaging.

Wat leren we?

  • Vernatting via de sturing op hogere grondwaterstand werkt.

Wel afgesproken met het grondwater altijd boven de veenlaag te blijven, zodat het veen permanent nat gehouden wordt. Als het daarbij (veel) regent, dan ontstaan plassen.Via een internetverbinding (Zentra Cloud) kunnen de agrariérs exact de hoogte van het grondwater volgen. (zie figuur) Bij heftige regenval is het een kwestie van wachten tot het een aantal dagen droog is, eventueel in combinatie met pompen (Jan/Peter en Kees). We pompen zodat de grondwaterstand hoog genoeg blijft en het veen onder water. Maaien en bemesten moet helaas uitgesteld worden totdat het perceel droog genoeg is. Naast dat we willen werken aan de doelstelling van de proef voorkomen we dan ook afspoeling van meststoffen. De greppels lieten we aanvankelijk ongemoeid. Die staan afgedopt met een bocht omhoog. Als we die zouden laten uitmonden in de poldersloten dan weten we niet hoeveel water uitstroomt want daar meet de proef niet aan. Daarbij kunnen we ook onbedoeld perceelwater ‘verliezen’, zonder dat we dat willen. De pompen en de put moeten zorgen voor voldoende aan- en afvoer.  MAAR..

  • Hoosbuien en extreme neerslag maken het moeilijk om jaarrond uitsluitend gebruik te maken van de pompen.

We hebben ons genoopt tussentijds het principe los te laten en de boeren toestemming te geven af te voeren via de greppels.

  • Grasmat en bodemstructuur leiden onder te lange blootstelling aan veel water.

Ondanks moeten we toch vasstellen, dat er schade is ontstaan aan de grasmat en de structuur van de bodem. Een eventuele buffering in de winter als waterbergingsmogelijkheid heeft in deze pilot met hoog grondwater en hoog slootwaterpeil dus laten zien, dat dit niet eenvoudig is zonder schade aan de grasmat en de structuur (minder zuurstof, verdichting op te lopen. 



Effecten Sub-irrigatie op de natuurwaarden
 

Effecten sub-irrigatie op natuurwaarden.
De boeren breken een lans voor een landbouwbeleid dat rekening houdt met de  biodiversiteit. Met deze pilot rekenen we ook op een verhoging van de biodiversiteit. Verdroging o.a. door het ontwateren van landbouwgronden lijkt een grote bedreiging van de biodiversiteit. De klimaatveranderingen (toenemende hittegolven en de daarmee gepaard gaande extremere droogteperiodes) versterken dit probleem voor de biodiversiteit. 

Onze stellingen zijn dat:

  • Door het omhoog brengen van het slootwaterpeil ontstaan langs de sloten natuurvriendelijkere oevers.
  • Doordat het grondwaterpeil niet langer zakt verwachten we ook toename van het bodemleven. *1
  • Meer water in de sloten zorgt ervoor, dat de waterkwaliteit verbetert. *2
  • Extensieve landbouw/veehouderij zorgt voor groeiende biodiversiteit; meer planten trekt insecten aan.
  • Weidevogels worden aangetrokken door het (licht) verhoogde waterpeil. 
  • Een juiste balans in de grondwaterstand verhoogt de biodiversiteit. 

Vernatting door verhoging grondwaterpeil en verhoogd slootwaterpeil zijn twee  kritische prestatie indicatoren om te kunnen werken aan verbetering van de biodiversiteit in de pilot. Door monitoring van flora en fauna op het perceel en in de sloten hopen we dit de komende drie jaar te bewijzen.

Natuurlijk zijn er binnen de melkveerhouderij ook andere kritische, zinvolle prestatie-indicatoren aan te wijzen zoals grasdiversiteit, organische stofbalans, stikstofoverschot, milieubelasting, en met name het landschapsbeheer waarop de melkveehouder invloed kan uitoefenen. Deze vallen buiten de scope van de pilot. 

*1 Nuance: misschien gaan we er te vaak klakkeloos vanuit, dat nat altijd beter is voor weidevogels.
*2 Zie de eerste indicaties bij effecten sub-irrigatie op de chemie en ecologie van kavelsloten.

 

 

 

Juni 2022 Interpretatie floraonderzoek WSRL drukdrainageproject Alblasserwaard
Stef van Walsum heeft op verzoek van de werkgroep een vergelijking gemaakt tussen de nulmeting vegetatie  in september 2020 (Walsum, 2020) en daarnaast heeft het WSRL in 2021 vegetatieopnames volgens de KRWsystematiek (Kader Richtlijn Water) voor het sloottype M8 (veensloten) opgenomen (Gylstra, 2022). . Beide vegetatieopnames zullen herhaald worden de komende jaren. Op deze wijze hopen we het effect
van de drukdrainage op de vegetatie in grasland, sloot en oever in beeld te brengen.
In dit rapportwordt vooral ingegaan op de resultaten van de vegetatieopnames en zover mogelijk een vergelijking gemaakt met de nulmeting.

Maart 2022 We hebben de indruk, dat weidevogels graag fourageren op biologisch grasland met ruige mest. Vooral kieviten nestelen vaak op maisland in de buurt maar fourageren elders.

November 2021
In 2021 hebben we gemonitord op foeragerende weidevogels, op vlinders, op libellen en op sprinkhanen. Lees hier de resultaten.
Op verzoek hebben we in december de resultaten van 2020 en 2021 gescheiden. Tevens hebben we gekeken naar de resultaten per hectare. Zodat we de verschillende onderdelen van de pilot goed met elkaar kunnen vergelijken. In de tabellen zijn de uitkomsten verwerkt. 

Toelichting: In tabel 3 zijn de gemiddelden van tabel 1 verrekend met de oppervlakte van de percelen in tabel 4. Dit laat hetzelfde beeld zien als tabel 1, er is te zien dat op de drukdrainagepercelen in beide jaren meer vogels gezien zijn dan op de referentiepercelen. Het verschil wordt vooral veroorzaakt door de aanwezigheid van een groep spreeuwen op het drukdrainageperceel bij de locatie Heikoop. Zonder deze hoge uitschieters komt het gemiddelde veel lager uit (gemiddelde 2020 DD: 8 ipv 35). In de derde kolom van tabel 1 zijn twee tellingen met hoge uitschieters uit de analyse gehaald. Dit zijn telling 5 en 6 van 2020 op locatie Heikoop. Zonder deze uitschieters is ook het (schijnbare) verschil tussen de gemiddelden van 2020 en 2021 verdwenen. Er kan op basis van deze gegevens niets gezegd worden over verklaringen van de verschillen. Verklaringen liggen soms in de aanwezigheid van een plasdras in de omgeving, extensivering van grasland, aanwezigheid van kabels.

September 2020
Vegetatie Nulmeting Sub-irrigatie project A5H door Stef van Walsum

 



Effecten vernatting op de grasopbrengst, op de grashoogten en de draagkracht van de bodem
 

Effecten vernatting op de grasopbrengst
Het grasland vormt voor de Nederlandse veehouder een zeer belangrijke rol, zo niet de belangrijkste, bron voor de ruwvoer voorziening op zijn bedrijf. Een goede kwaliteit van het ruwvoer is belangrijk voor een rendabele bedrijfsvoering. Een grasmat met een hoog percentage Engels raaigras levert een goede kwaliteit ruwvoer.  Botanische schattingen geven inzicht in belangrijke groeiomstandigheden als mineralenrijkdom en vochtvoorziening. Bovendien geven ze een beeld van de toestand over een langere periode. Voor de beoordeling van vegetaties is naast herkenning van de plantensoorten ook kennis nodig over de indicaties die de voorkomende plantensoorten geven ten aanzien van de groeiomstandigheden.
We meten op drie onderdelen: Grasopbrenst, Grashoogte en Botanische samenstelling van de proef- en referentiepercelen.
De nulmetingen voor de botanische samenstelling zijn gebeurd in het najaar van 2020 en in het voorjaar van 2021. Lees meer over hoe een dergelijke meting plaatsvindt. De uitkomsten van de metingen staan hiernaast.

Effecten van vernatting op de draagkracht van de bodem
Het huidige zogeheten peilbesluit wordt mogelijk herzien. Over de jaren is het veen geoxideerd en de bodem gedaald. Hierdoor zijn de grondwaterstanden in het gebied relatief hoog. Voor naastgelegen Natura 2000 gebieden, zoals bij Matthias is dit gunstig. Voor de landbouw is het een vraag of bij een hogere grondwaterstand de draagkracht van de bodem in het geding komt? Is de aanleg van een waterinfiltratiesysteem een mogelijke oplossing?

 



Effecten Sub-irrigatie op de chemie en ecologie van kavelsloten

 

De resultaten van de aquatische ecologie.

Vegetatie 

Vegetatieopnamens van de pilotsloten: Op 26 augustus 2021 zijn door Aquon in de sloten van de pilot opnames gemaakt van de vegetatie. De opnames zijn uitgevoerd volgens de KaderRichtlijnWater-systematiek (KRW) bij het sloot type M8 (veensloot).
De maatlatten
De maatlatten binnen de KRW-systematiek kennen een minimale score van 0 en een maximale score van 1, uitgedrukt in de Ecologisch KwaliteitsRatio (EKR). Deze reeks is onderverdeeld in 5 klassen, te weten: Slecht (0-0,2), Ontoereikend (0,2-0,4), Matig (0,4-0,6), Goed (0,6-0,8) en Zeer Goed (0,8-1).
Eindscore
Voor de eindscore worden de berekende waarden voor de soorten en de bedekking gemiddeld. Bij die score is ook de beoordeling in tekst weergegeven.

Lees hier de resultaten van de vegetatieopnames.

Effecten Sub-irrigatie op de chemie en ecologie van kavelsloten

Over vijf jaar moet het oppervlakte- en grondwater in Nederland van goede kwaliteit en kwantiteit zijn. Nog niet één procent van onze oppervlaktewateren voldoet aan alle eisen die Europa stelt. Voldoende schoon water is de basis is voor ons hele land; voor onze natuur, voor drinkwater, de landbouw en ook voor de industrie. Volgens internationale afspraken vastgelegd in de Kaderrichtlijn Water (KRW) moet het Nederlandse water in 2027 schoon en gezond zijn.
In deze pilot onderzoekt het WSRL of de maatregel Drukdrainage in combinatie met hoog slootwaterpeil bijdraagt aan de kwaliteit van het slootwater. Waterschap Rivierenland (WSRL)https://www.waterschaprivierenland.nl/) meet de komende jaren de waterkwaliteit van de sloten, zowel van de proefpercelen als de referentiepercelen. Daarvoor zijn in januari 2021 een serie fysisch-chemische metingen gestart. De metingen vinden maandelijks plaats. Daarnaast meten zij aan de toestand van de aquatische vegetatie in de sloten. Dat gebeurt eenmalig in elke zomerperiode, meestal in juni/juli.
De meetresultaten worden op de website gedeeld. Het meetnet staat onder leiding van Ronald Gylstra (WSRL) en wordt mede uitgevoerd door Aquon (https://www.aquon.nl/). Metingen met betrekking tot de waterhuishouding van percelen en kavelsloten worden gedaan door KnowH2O onder leiding van Gé van den Eertwegh. (zie verder op de website). De uitkomsten van WSRL en KnowH2O worden laten in het jaar naast elkaar gelegd.

Uitkomsten monitoring 2021.
Toelichting:
De metingen van enkele parameters (januari t/m december 2021 ) zijn weergegeven per deelnemer. Als vierde figuur in boxplots de resultaten van overige beschikbare meetgegevens voor het KaderRichtlijnWater-type veensloten (M08) binnen dataset van WSRL, voor de deelgebieden Alblasserwaard en Vijfheerenlanden. In onderstaand rapport worden alle parameters behandeld.
2021 Overzicht enkele gemeten parameters Experimenten drukdrainage WSRL Alblasserwaard en Vijfheerenlanden.

Indicaties:
- De metingen uit de referentie-sloten laten geen ander beeld zien dan de metingen in de drukdrainage-sloten
- De metingen zijn nu een jaarrond uitgevoerd en voor vrijwel alle parameters sluiten de laatste winter-waarnemingen aan bij de eerste wintermetingen van vorig jaar. 



Effecten Drukdrainage op de waterhuishouding en de bodembeweging
 

De resultaten van de metingen
2021
Lees hier het rapport over de effecten van vernatting voor de waterhuishouding en effecten op de bodembeweging

Effecten Sub-irrigatie op de waterhuishouding van percelen en kavelsloten
Onze ambitie is om het grondwaterpeil zo hoog mogelijk te krijgen. De afspraak in de pilot is, de grondwaterstand te verhogen naar 20 cm onder het maaiveld. In de praktijk zal moeten blijken of dit haalbaar is. Ook het slootpeil houden we zo hoog mogelijk om infiltratie vanuit de sloot in het omliggende land zoveel mogelijk te stimuleren.Om deze effecten inzichtelijk te maken meten we vooral aan de stand van het grondwater. Het ondiepe grondwater (freatisch grondwater) meten we en het dieper liggende grondwater. We kijken naar de stijghoogte daarvan. Om dit goed te kunnen doen zijn er peilbuizen geplaatst en meten we zowel digitaal als met de hand de standen.

Effecten Sub-irrigatie op de bodembeweging/bodemdaling
Metingen met betrekking tot de verticale beweging van de klei- op veenbodem worden gedaan door KnowH2O i.s.m. Moisture Matters, onder leiding van Gé van den Eertwegh. We plaatsten medio januari 2021 de twee Vertical Soil Movement sensoren op twee percelen van Kees Baan. Eén meetlocatie betreft een perceel met sub-irrigatie en aangepast slootpeil, de tweede locatie betreft een nabijgelegen referentieperceel onder huidige praktijksituaties. We volgen de verticale beweging van de klei-op-veenbodem elk kwartier. Onderzoeken elders in Nederland melden een seizoensgebonden dynamiek:een daling van het maaiveld in de relatief droge en warme zomerperiode en een stijging van het maaiveld in de relatief natte en koude winterperiode, waarbij een op- en neergaande beweging plaatsvindt in de orde van grootte van enkele centimeters. Op kortere tijdschaal (dagen, weken) is de bodembeweging sterk gerelateerd met de grondwaterstand. Dat lezen we ook in het rapport.

De resultaten van de bodembeweging jaarrond (maart 2021-maart 2022)
Zie voor de toelichting hiernaast. Bodembeweging van het maaiveld in de tijd (verticaal), op basis van metingen per kwartier. Meetnauwkeurigheid is 0,5 mm.

Resultaten meten bodembeweging over 1 jaar  (maart 2021 tot maart 2022)
Toelichting onder de grafieken.

Toelichting grafieken:
In de bovensten grafiek zien we twee lijnen met bodembeweging in [mm] op beide Y-assen. Op de X-as de tijd. Oranje is proefperceel subirrigatie, blauw is referentieperceel.
In de onderste grafiek: Een lijn met verschil in bodembeweging in [mm] op Y-as. Negatieve waarde betekent dat bodembeweging neerwaarts op referentieperceel groter is dan op proefperceel.
Rode stippellijn markeert het begin van de proef met subirrigatie. Startpunt grafiek is op dat moment voor beide percelen gelijk (bovenste grafiek) op -40 mm (is startpunt).

Wat zien we?
- We zien verticale bewegingen van het maaiveld op beide percelen: op het proefperceel tot max. -26 mm onder startpunt , op het referentieperceel tot max. -54 mm onder startpunt tijdens de zomer van 2021. Medio februari 2022 bereikt het maaiveld op het proefperceel een hoogte van 6 mm boven het startpunt, het referentieperceel komt  4 mm onder het startpunt uit. Een paar dagen later rond begin maart 2022 zakken de beide maaivelden tot 13 en 19 mm beneden het startpunt (6 mm netto verschil).
- We zien op het proefperceel tijdens wateraanvoer dat rond begin juli 2021 het maaiveld hoger is dan bij het startpunt (+2 mm). Een positief resultaat, vergeleken met het referentieperceel op dat moment (-22 mm).

Verklaring van de bodembeweging:
De bewegingen houden sterk verband met de grondwaterstand (niet getoond), die het resultaat is van het weer (neerslag en verdamping), de hydrologie ter plekke (incl. ontwatering via de kavelsloten), en de proef: water aanvoeren via subirrigatie en water afvoeren/afpompen via de regelbare drainage op het proefperceel, in combinatie met hogere slootpeilen rondom het proefperceel.
We zien ook effecten van afpompen van water op het proefperceel onder natte condities (zie ook tussenrapportage KnowH2O, oktober 2021) in juli 2021 en eind december 2021/begin januari 2022. Het maaiveld op het proefperceel daalt hierdoor direct, waardoor de verschillen in de netto bodembeweging (omlaag) tussen proefperceel en referentieperceel kleiner wordt.Bodembeweging is een resultante van een aantal processen. We zien in onze waarnemingen belangrijke effecten terug van het weer (neerslag en verdamping) en van de proef (aanvoeren en afvoeren, hogere slootpeilen).

Conclusie: Voordat de gemeten bodembeweging te vertalen is in een netto bodemdaling of –stijging, meten we gestaag door en werken we de gegevens nog beter uit én gaan we ze vergelijken met andere data.